voorbijlopen
werkwoordBetekenis
- lopend voorbijgaan
Vervoeging van voorbijlopen
voorbijlopenhele werkwoord — liep voorbijverleden tijd enkelvoud — liepen voorbijverleden tijd meervoud — voorbijgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop voorbij | liep voorbij |
| jij | loopt voorbij | liep voorbij |
| hij, zij, het | loopt voorbij | liep voorbij |
| wij | lopen voorbij | liepen voorbij |
| jullie | lopen voorbij | liepen voorbij |
| zij | lopen voorbij | liepen voorbij |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voorbijgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorbijgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is voorbijgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorbijgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep voorbij | verleden tijd |
| loop voorbij | gebiedende wijs |
| te zijn voorbijgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorbijlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbij te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorbij te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbij zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbij zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| voorbijgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| voorbijgelopen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbijgelopen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbijliep | bijzin, verleden tijd |
| voorbijliepen | bijzin, verleden tijd |
| voorbijloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijlopend | onvoltooid, deelwoord |
| waart voorbijgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorbijgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorbijgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorbijgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorbijgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voorbijgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorbijgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorbijgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorbijlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorbijgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voorbijgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorbijgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorbijgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorbijgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorbijgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorbijgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorbijgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorbijlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorbijlopen voorbij zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorbijgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorbijgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorbijgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorbijlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorbijgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorbijlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorbijgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorbijgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorbijgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorbijlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorbijlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorbijgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorbijlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorbijlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voorbijlopen voorbij zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voorbij en lopen
Woordfamilie van voorbijlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep voorbij | verleden tijd | voorbijlopen |
| liepen voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijlopen |
| loop voorbij | gebiedende wijs | voorbijlopen |
| loopt voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorbijlopen |
| lope voorbij | woordvorm | voorbijlopen |
| lopen voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijlopen |
| voorbijgelopen | voltooid deelwoord | voorbijlopen |
| voorbijliep | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijlopen |
| voorbijliepen | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijlopen |
| voorbijloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijlopen |
| voorbijloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijlopen |
| voorbijlope | with-subordinate-clause | voorbijlopen |
| voorbijlopend | onvoltooid deelwoord | voorbijlopen |
| voorbijlopende | woordvorm | voorbijlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbijlopen zijn vastgelegd.