voorbijschieten
werkwoordBetekenis
- snel voorbijgaan
Vervoeging van voorbijschieten
voorbijschietenhele werkwoord — schoot voorbijverleden tijd enkelvoud — schoten voorbijverleden tijd meervoud — voorbijgeschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schiet voorbij | schoot voorbij |
| jij | schiet voorbij | schoot voorbij |
| hij, zij, het | schiet voorbij | schoot voorbij |
| wij | schieten voorbij | schoten voorbij |
| jullie | schieten voorbij | schoten voorbij |
| zij | schieten voorbij | schoten voorbij |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voorbijgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorbijgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is voorbijgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorbijgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schiet voorbij | gebiedende wijs |
| schoot voorbij | verleden tijd |
| te zijn voorbijgeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorbijschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbij te schieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorbij te zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbij zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zou schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zouden schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zoudt schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbij zullen schieten | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zult schieten | bijzin, toekomende tijd |
| voorbijgeschoten | verleden tijd, deelwoord |
| voorbijgeschoten te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbijgeschoten zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbijschiet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijschietend | onvoltooid, deelwoord |
| voorbijschoot | bijzin, verleden tijd |
| voorbijschoten | bijzin, verleden tijd |
| waart voorbijgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorbijgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorbijgeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorbijgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorbijgeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voorbijgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorbijgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorbijgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorbijschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorbijgeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voorbijgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorbijgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorbijgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorbijgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorbijgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorbijgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorbijgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorbijschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorbijschieten voorbij zou(dt) schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorbijgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorbijgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorbijgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorbijschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorbijgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorbijschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorbijgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorbijgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorbijgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorbijschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorbijschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorbijgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorbijschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorbijschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voorbijschieten voorbij zult/zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voorbij en schieten
Woordfamilie van voorbijschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schiet voorbij | gebiedende wijs | voorbijschieten |
| schiete voorbij | woordvorm | voorbijschieten |
| schieten voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijschieten |
| schoot voorbij | verleden tijd | voorbijschieten |
| schoten voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijschieten |
| voorbijgeschoten | voltooid deelwoord | voorbijschieten |
| voorbijschiet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijschieten |
| voorbijschiete | with-subordinate-clause | voorbijschieten |
| voorbijschietend | onvoltooid deelwoord | voorbijschieten |
| voorbijschietende | woordvorm | voorbijschieten |
| voorbijschoot | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijschieten |
| voorbijschoten | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbijschieten zijn vastgelegd.