voorbijsteken
werkwoordBetekenis
- (België) voorbijrijden, inhalen
- overtreffen, voorbijstreven, inhalen
werkwoord
- voorbijrijden, inhalen transitive
Vervoeging van voorbijsteken
voorbijstekenhele werkwoord — stak voorbijverleden tijd enkelvoud — staken voorbijverleden tijd meervoud — voorbijgestokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steek voorbij | stak voorbij |
| jij | steekt voorbij | staakt voorbij |
| hij, zij, het | steekt voorbij | stak voorbij |
| wij | steken voorbij | staken voorbij |
| jullie | steken voorbij | staken voorbij |
| zij | steken voorbij | staken voorbij |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorbijgestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorbijgestoken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorbijgestoken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorbijgestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorbijgestoken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorbijgestoken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorbijgestoken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorbijgestoken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorbijgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stak voorbij | verleden tijd |
| steek voorbij | gebiedende wijs |
| te hebben voorbijgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorbijsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbij te steken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorbij te zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbij zal steken | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zou steken | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zouden steken | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zoudt steken | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbij zullen steken | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zult steken | bijzin, toekomende tijd |
| voorbijgestoken | verleden tijd, deelwoord |
| voorbijgestoken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorbijgestoken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorbijgestoken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbijgestoken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbijgestoken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbijgestoken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorbijgestoken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorbijgestoken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbijgestoken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbijgestoken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbijstaakt | bijzin, verleden tijd |
| voorbijstak | bijzin, verleden tijd |
| voorbijstaken | bijzin, verleden tijd |
| voorbijsteek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijsteekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijstekend | onvoltooid, deelwoord |
| waart voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorbijgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorbijgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorbijgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorbijgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorbijgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorbijgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorbijgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorbijsteken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorbijgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorbijgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorbijgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorbijgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorbijgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorbijgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorbijgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorbijsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorbijsteken voorbij zou(dt) steken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorbijgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorbijgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorbijgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorbijgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorbijgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorbijgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorbijsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorbijgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorbijgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorbijsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorbijgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorbijgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorbijgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorbijgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorbijgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorbijgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorbijgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorbijsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorbijsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorbijsteken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voorbij en steken
Woordfamilie van voorbijsteken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stak voorbij | verleden tijd | voorbijsteken |
| staken voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijsteken |
| steek voorbij | gebiedende wijs | voorbijsteken |
| steekt voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorbijsteken |
| steke voorbij | woordvorm | voorbijsteken |
| steken voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijsteken |
| voorbijgestoken | voltooid deelwoord | voorbijsteken |
| voorbijstak | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijsteken |
| voorbijstaken | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijsteken |
| voorbijsteek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijsteken |
| voorbijsteekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijsteken |
| voorbijsteke | with-subordinate-clause | voorbijsteken |
| voorbijstekend | onvoltooid deelwoord | voorbijsteken |
| voorbijstekende | woordvorm | voorbijsteken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbijsteken zijn vastgelegd.