voorbijvliegen
werkwoordBetekenis
- snel voorbijgaan (al dan niet vliegend)
Vervoeging van voorbijvliegen
voorbijvliegenhele werkwoord — vloog voorbijverleden tijd enkelvoud — vlogen voorbijverleden tijd meervoud — voorbijgevlogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vlieg voorbij | vloog voorbij |
| jij | vliegt voorbij | vloog voorbij |
| hij, zij, het | vliegt voorbij | vloog voorbij |
| wij | vliegen voorbij | vlogen voorbij |
| jullie | vliegen voorbij | vlogen voorbij |
| zij | vliegen voorbij | vlogen voorbij |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voorbijgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorbijgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is voorbijgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorbijgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn voorbijgevlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorbijvliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vlieg voorbij | gebiedende wijs |
| vloog voorbij | verleden tijd |
| voorbij te vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorbij te zullen vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbij zal vliegen | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zou vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zouden vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zoudt vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zullen vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbij zullen vliegen | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zult vliegen | bijzin, toekomende tijd |
| voorbijgevlogen | verleden tijd, deelwoord |
| voorbijgevlogen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbijgevlogen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbijvlieg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijvliegend | onvoltooid, deelwoord |
| voorbijvliegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijvlogen | bijzin, verleden tijd |
| voorbijvloog | bijzin, verleden tijd |
| waart voorbijgevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgevlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorbijgevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgevlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorbijgevlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorbijgevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorbijgevlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voorbijgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorbijgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorbijgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorbijvliegen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorbijgevlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voorbijgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorbijgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorbijgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorbijgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorbijgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorbijgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorbijgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorbijvliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorbijvliegen voorbij zou(dt) vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorbijgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorbijgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorbijgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorbijvliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorbijgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorbijvliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorbijgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorbijgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorbijgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorbijvliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorbijvliegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorbijgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorbijvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorbijvliegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voorbijvliegen voorbij zult/zal vliegen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voorbij en vliegen
Woordfamilie van voorbijvliegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vlieg voorbij | gebiedende wijs | voorbijvliegen |
| vliege voorbij | woordvorm | voorbijvliegen |
| vliegen voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijvliegen |
| vliegt voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorbijvliegen |
| vlogen voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijvliegen |
| vloog voorbij | verleden tijd | voorbijvliegen |
| voorbijgevlogen | voltooid deelwoord | voorbijvliegen |
| voorbijvlieg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijvliegen |
| voorbijvliege | with-subordinate-clause | voorbijvliegen |
| voorbijvliegend | onvoltooid deelwoord | voorbijvliegen |
| voorbijvliegende | woordvorm | voorbijvliegen |
| voorbijvliegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijvliegen |
| voorbijvlogen | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijvliegen |
| voorbijvloog | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijvliegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbijvliegen zijn vastgelegd.