tuig
zelfstandig naamwoord, werkwoord /tœy̯x/Betekenis
- ding, voorwerp
- machine of gebruiksklare constructie, die is ingericht om een activiteit of bezigheid te verrichten of eenvoudiger te maken: rijden, spelen, varen enz.
- plebs, lieden van laag allooi
- harnas, verzameling riemen waarmee een persoon of dier in bedwang gehouden kan worden
- de verzamelnaam voor alle zeilen, staand (vast) en lopend (beweegbaar) want, het touwwerk en de rondhouten die nodig zijn om een schip voort te bewegen en om een schip te laten ankeren
- vistuig
- verstaan, begrijpen
Hoe spreek je tuig uit?
/tœyx/
Tuig bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| œy | huis |
| x | acht |
zelfstandig naamwoord — neuter
- geboefte, geteisem, lieden van laag allooi, slecht volk no-plural, pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tuigen | meervoud |
| tuigje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tuigjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuigen
- gebiedende wijs van tuigen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuigen
Vervoeging van tuig
tuighele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘toestel, gerei’ voor het eerst aangetroffen in 1500
Woordfamilie van tuig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tuigje | verkleinwoord | tuig |
| tuigjes | verkleinwoord meervoud | tuig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tuig zijn vastgelegd.