mast
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- lange, rechtop staande paal midden op het schip waaraan vlaggen, zeilen en/of ra|ra's bevestigd kunnen worden
- palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
- lange paal voor vlaggen - vlaggenmast
- hoge antenne
- varkensvoer, bestaande uit eikels en beukennoten
zelfstandig naamwoord — masculine
- lange, rechtop staande paal midden op het schip waaraan vlaggen, zeilen en/of ra's bevestigd kunnen worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| masten | meervoud |
| mastje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mastjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van masten
- gebiedende wijs van masten
Vervoeging van mast
masthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘paal’ voor het eerst aangetroffen in 1080
Woordfamilie van mast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| masten | meervoud | mast |
| mastje | verkleinwoord | mast |
| mastjes | verkleinwoord meervoud | mast |
| gemast | woordvorm | masten |
| maste | woordvorm | masten |
| mastend | woordvorm | masten |
| mastende | woordvorm | masten |
| mastte | woordvorm | masten |
| mastten | woordvorm | masten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mast zijn vastgelegd.