constructie
zelfstandig naamwoord /xxxx/Betekenis
- het in elkaar zetten of produceren van iets
- een bouwkundige (dragende) samenstelling van bouwmateriaal|bouwmaterialen (die verantwoordelijk is voor de stabiliteit van het bouwwerk)
- iets dat uit mechanische onderdelen is opgebouwd
- juridische ~ een specifieke manier van regelgeving of foefje b.v. een beschermingsconstructie, sale-and-lease-backconstructie, u-bochtconstructie of een sterfhuisconstructie
- een naar een stel ideeën samengesteld geheel
- de opbouw van een zin of literair werk b.v. zinsconstructie
Hoe spreek je constructie uit?
/xxxx/
Constructie bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
zelfstandig naamwoord
- een bouwkundige (dragende) samenstelling van bouwmaterialen (die verantwoordelijk is voor de stabiliteit van het bouwwerk)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| constructies | meervoud |
| constructietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| constructietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bouw’ voor het eerst aangetroffen in 1332
Woordfamilie van constructie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| constructies | meervoud | constructie |
| constructietje | verkleinwoord | constructie |
| constructietjes | verkleinwoord meervoud | constructie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van constructie zijn vastgelegd.