halster
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- samenstel van riemen rond de kop van een rijdier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| halsters | meervoud |
| halstertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| halstertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halsteren
- gebiedende wijs van halsteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halsteren
Vervoeging van halster
halsterhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘leidsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450
Woordfamilie van halster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| halsters | meervoud | halster |
| halstertje | verkleinwoord | halster |
| halstertjes | verkleinwoord meervoud | halster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van halster zijn vastgelegd.