uitrusting
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de beschikbaar gestelde voer-, vlieg- of vaartuigen, bewapening, gereedschappen en hulpmiddelen, om een taak uit te voeren
zelfstandig naamwoord
- een gespecialiseerde sport- of werkkledingset met beschermstukken voor lichaamsdelen, zoals een helm, masker, vest of scheenbeschermer. Gebruikt bij sporten door bijvoorbeeld een keeper (bij voetbal zijn er keepershandschoenen), iedere ijshockeyspeler (zie ijshockeyuitrusting), of bij ordehandhaving zoals de oproerpolitie (die bijvoorbeeld een wapenstok of oproerschild gebruikt)
- alles wat nodig is voor een reis of verblijf elders, zoals duikuitrusting of kampeeruitrusting
- équipage, gereedschap
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uitrustingen | meervoud |
| uitrustinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uitrustinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van uitrusten met het achtervoegsel -ing
Woordfamilie van uitrusting
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitrustingen | meervoud | uitrusting |
| uitrustinkje | verkleinwoord | uitrusting |
| uitrustinkjes | verkleinwoord meervoud | uitrusting |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitrusting zijn vastgelegd.