teugel
zelfstandig naamwoord /ˈtøɣəl/Betekenis
- riem of koord waarmee men een last- of rijdier besturen|bestuurt
- de streek bij vogels tussen het oog en de wortel van de snavel|bovensnavel
- (riem of koord voor het besturen van dieren)
- toom
- teugelloos
Hoe spreek je teugel uit?
/ˈtøxəl/
Teugel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ø | deur |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- riem of koord waarmee men een last- of rijdier bestuurt
- de streek bij vogels tussen het oog en de wortel van de bovensnavel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| teugels | meervoud |
| teugeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| teugeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘stuurriem van rijdier’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
Woordfamilie van teugel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teugels | meervoud | teugel |
| teugeltje | verkleinwoord | teugel |
| teugeltjes | verkleinwoord meervoud | teugel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van teugel zijn vastgelegd.