werktuig
zelfstandig naamwoord ˈwɛrᵊkˌtœyxBetekenis
- een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
Hoe spreek je werktuig uit?
/ˈwɛrəkˌtœyx/
Werktuig bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
| t | tak |
| œy | huis |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| werktuigen | meervoud |
| werktuigje | verkleinwoord, enkelvoud |
| werktuigjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘instrument’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van werktuig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| werktuigen | meervoud | werktuig |
| werktuigje | verkleinwoord | werktuig |
| werktuigjes | verkleinwoord meervoud | werktuig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van werktuig zijn vastgelegd.