gereedschap
zelfstandig naamwoord ɣəˈretsxɑpBetekenis
- een (soms mechanisch) instrument dat gebruikt wordt om werk te kunnen doen
Hoe spreek je gereedschap uit?
/xəˈretsxɑp/
Gereedschap bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| r | rood |
| e | veel |
| t | tak |
| s | sok |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gereedschapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gereedschapjes | verkleinwoord, meervoud |
| gereedschappen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘werktuigen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van gereedschap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gereedschapje | verkleinwoord | gereedschap |
| gereedschapjes | verkleinwoord meervoud | gereedschap |
| gereedschappen | meervoud | gereedschap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gereedschap zijn vastgelegd.