streek
zelfstandig naamwoord, werkwoord strekBetekenis
- een gebied met een eigen karakter, een landstreek
- deel van een entiteit (bijv. anatomisch) met specifieke eigenschappen (- bilstreek, hartstreek, maagstreek, kompasstreek)
- een handige manipulatie
- een veeg of streep met een werktuig
Hoe spreek je streek uit?
/strek/
Streek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- deel van een entiteit (bijv. anatomisch) met specifieke eigenschappen (-> bilstreek, hartstreek, maagstreek, kompasstreek)
- een handeling die handig maar niet helemaal netjes of beleefd is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| streekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| streekjes | verkleinwoord, meervoud |
| streken | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van strijken
Vervoeging van streek
streekhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gebied’ voor het eerst aangetroffen in 1595
Woordfamilie van streek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| streekje | verkleinwoord | streek |
| streekjes | verkleinwoord meervoud | streek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van streek zijn vastgelegd.