boer
zelfstandig naamwoord, werkwoord /buːr/Betekenis
- landbouwer, agrariër, landman
- door uitbreiding: iedereen die iets levert of produceert
- persoon zonder of met weinig beschaving
- speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de 10 en de vrouw ligt
- geluid dat wordt geproduceerd als lucht uit de maag via de slokdarm naar buiten komt
Hoe spreek je boer uit?
/bur/
Boer bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| u | boek |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iedereen die iets levert of produceert (als uitbreiding van bet. 1)
- persoon zonder of met weinig beschaving, lomperd pejorative
- speelkaart met daarop een boer [1] uitgebeeld, waarvan de waarde meestal tussen die van de 10 en de vrouw ligt
- geluid dat wordt geproduceerd als lucht vanuit de maag via de slokdarm naar buiten komt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boeren | meervoud |
| boertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boeren
- gebiedende wijs van boeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boeren
Vervoeging van boer
boerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘landbouwer’ voor het eerst aangetroffen in 1516