toepen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een spel met 32 kaarten waarvan de tien de hoogste kaart is
- tweede betekenisomschrijving
Vervoeging van toepen
toepenhele werkwoord — toepteverleden tijd enkelvoud — toeptenverleden tijd meervoud — getoeptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | toep | toepte |
| jij | toept | toepte |
| hij, zij, het | toept | toepte |
| wij | toepen | toepten |
| jullie | toepen | toepten |
| zij | toepen | toepten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getoept | verleden tijd, deelwoord |
| getoept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getoept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getoept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getoept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getoept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getoept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getoept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getoept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getoept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getoept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getoept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getoept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getoept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getoept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getoept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getoept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getoept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getoept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te toepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen toepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toep | gebiedende wijs |
| toepe | aanvoegende wijs |
| toepend | onvoltooid, deelwoord |
| toepte | verleden tijd |
| zal getoept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getoept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getoept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal toepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal toepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou toepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou toepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getoept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getoept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getoept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen toepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen toepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen toepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen toepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getoept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult toepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord toepe
Herkomst
Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘kaartspel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1884
Woordfamilie van toepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getoept | voltooid deelwoord | toepen |
| toep | gebiedende wijs | toepen |
| toepend | onvoltooid deelwoord | toepen |
| toepende | woordvorm | toepen |
| toept | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | toepen |
| toepte | verleden tijd | toepen |
| toepten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toepen zijn vastgelegd.