toerist
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een (mannelijk) persoon die voor zijn plezier reist (een toer maakt)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| toeristen | meervoud |
| toeristje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toeristjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit Engels tourist (lett. “iemand die een toer, rondreis maakt”), in de betekenis van ‘die reist voor zijn genoegen’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van toerist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toeristen | meervoud | toerist |
| toeristje | verkleinwoord | toerist |
| toeristjes | verkleinwoord meervoud | toerist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toerist zijn vastgelegd.