omloop
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɔmlopBetekenis
- het in de rondte gaan, een kringloop bijv. bloedsomloop
- de omwenteling van een voorwerp dat zich om een middelpunt beweegt (- omloopbaan)
- rondlopende galerij, een omgang
- om de vinger of nagel lopende nagelriemontsteking, paronychia
- criterium
- parcours, circuit
Hoe spreek je omloop uit?
/ˈɔmlop/
Omloop bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| l | land |
| o | boot |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- de omwenteling van een voorwerp dat zich om een middelpunt beweegt (-> omloopbaan)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| omloopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| omloopjes | verkleinwoord, meervoud |
| omlopen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omlopen
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omlopen
- gebiedende wijs van omlopen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omlopen
Vervoeging van omloop
omloophele werkwoord
Woordfamilie van omloop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omloopje | verkleinwoord | omloop |
| omloopjes | verkleinwoord meervoud | omloop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omloop zijn vastgelegd.