tocht
zelfstandig naamwoord, werkwoord tɔxtBetekenis
- (meestal ongewenste) luchtbeweging ontstaan door openingen
- een reis
- een soort watergang, tochtsloot
Hoe spreek je tocht uit?
/tɔxt/
Tocht bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɔ | bot |
| x | acht |
zelfstandig naamwoord — masculine
- meestal ongewenste bewegende koude lucht binnen in een ruimte, als gevolg van openingen naar buiten
- activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
- soort watergang
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tochten | meervoud |
| tochtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tochtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onpersoonlijke tegenwoordige tijd van tochten
- enkelvoud tegenwoordige tijd van tochten
- gebiedende wijs van tochten
Vervoeging van tocht
tochthele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands tocht "het trekken"
Woordfamilie van tocht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tochtje | verkleinwoord | tocht |
| tochtjes | verkleinwoord meervoud | tocht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tocht zijn vastgelegd.