schipbreuk
zelfstandig naamwoord /sxɪbrøk/Betekenis
- een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
- falen, mislukking, ondergang
Hoe spreek je schipbreuk uit?
/sxɪbrøk/
Schipbreuk bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| b | bak |
| r | rood |
| ø | deur |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schipbreuken | meervoud |
| schipbreukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schipbreukjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van schip en breuk
Woordfamilie van schipbreuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schipbreuken | meervoud | schipbreuk |
| schipbreukje | verkleinwoord | schipbreuk |
| schipbreukjes | verkleinwoord meervoud | schipbreuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schipbreuk zijn vastgelegd.