chip
zelfstandig naamwoord, werkwoord tʃɪpBetekenis
- dun laagje koude gefrituurde aardappel (doorgaans gebruikt in het meervoud of als verkleinde vorm)
- een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
- afkappen, afsnijden, afbreken, beitelen, kappen
- afbrokkelen
Hoe spreek je chip uit?
/tʃɪp/
Chip bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
| ɪ | pit |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- dun reepje gefrituurde aardappel (voornamelijk gebruikt in het meervoud)
- klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
- beschadiging in aardewerk of porselein nadat een scherfje heeft losgelaten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| chipje | verkleinwoord, enkelvoud |
| chipjes | verkleinwoord, meervoud |
| chips | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van chippen
- gebiedende wijs van chippen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van chippen
Vervoeging van chip
chiphele werkwoord
Herkomst
van Engels chip