rib
zelfstandig naamwoord, werkwoord rɪpBetekenis
- elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
Hoe spreek je rib uit?
/rɪp/
Rib bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɪ | pit |
| p | pak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ribben | meervoud |
| ribbetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ribbetjes | verkleinwoord, meervoud |
| ribje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ribjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ribben
- gebiedende wijs van ribben
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ribben
Vervoeging van rib
ribhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘dun been in borstkas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van rib
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ribje | verkleinwoord | rib |
| ribjes | verkleinwoord meervoud | rib |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rib zijn vastgelegd.