overschepen
werkwoordBetekenis
- van het ene schip in het andere brengen
Vervoeging van overschepen
overschepenhele werkwoord — scheepte oververleden tijd enkelvoud — scheepten oververleden tijd meervoud — overgescheeptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheep over | scheepte over |
| jij | scheept over | scheepte over |
| hij, zij, het | scheept over | scheepte over |
| wij | schepen over | scheepten over |
| jullie | schepen over | scheepten over |
| zij | schepen over | scheepten over |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is overgescheept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overgescheept | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overgescheept | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overgescheept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overgescheept worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overgescheept zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overgescheept worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overgescheept zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had overgescheept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overgescheept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overgescheept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overgescheept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overgescheept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overgescheept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overgescheept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgescheept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| over te schepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen schepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal schepen | bijzin, toekomende tijd |
| over zou schepen | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden schepen | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt schepen | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen schepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen schepen | bijzin, toekomende tijd |
| over zult schepen | bijzin, toekomende tijd |
| overgescheept | verleden tijd, deelwoord |
| overgescheept te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgescheept te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgescheept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgescheept te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgescheept te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgescheept worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgescheept zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgescheept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgescheept zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgescheept zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overscheep | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overscheept | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overscheepte | bijzin, verleden tijd |
| overscheepten | bijzin, verleden tijd |
| overschepend | onvoltooid, deelwoord |
| scheep over | gebiedende wijs |
| scheepte over | verleden tijd |
| te hebben overgescheept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overschepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overgescheept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgescheept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overgescheept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgescheept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overgescheept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overgescheept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overgescheept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overgescheept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal overgescheept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgescheept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overgescheept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal overgescheept zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgescheept zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal overschepen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt overgescheept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou overgescheept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgescheept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgescheept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgescheept zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgescheept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgescheept zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou overschepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) overschepen over zou(dt) schepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden overgescheept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgescheept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgescheept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overgescheept zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgescheept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgescheept zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden overschepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt overgescheept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overgescheept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt overschepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen overgescheept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgescheept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgescheept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overgescheept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overgescheept zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgescheept zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgescheept zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overschepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overschepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen overschepen | bijzin, toekomende tijd |
| zult overgescheept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van over en schepen
Woordfamilie van overschepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overgescheept | voltooid deelwoord | overschepen |
| overgescheepte | woordvorm | overschepen |
| overscheep | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overschepen |
| overscheept | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overschepen |
| overscheepte | subordinate-clause, verleden tijd | overschepen |
| overscheepten | subordinate-clause, verleden tijd | overschepen |
| overschepe | with-subordinate-clause | overschepen |
| overschepend | onvoltooid deelwoord | overschepen |
| overschepende | woordvorm | overschepen |
| scheep over | gebiedende wijs | overschepen |
| scheept over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overschepen |
| scheepte over | verleden tijd | overschepen |
| scheepten over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overschepen |
| schepe over | woordvorm | overschepen |
| schepen over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | overschepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overschepen zijn vastgelegd.