pantserschip
zelfstandig naamwoord ˈpɑntsərˌsxɪpBetekenis
- een zwaar gepantserd schip zoals dat in gebruik was vóór het tijdperk van de slagschepen
Hoe spreek je pantserschip uit?
/ˈpɑntsərˌsxɪp/
Pantserschip bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| s | sok |
| ə | de |
| r | rood |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- zwaar gepantserd schip zoals dat in gebruik was vóór het tijdperk van de slagschepen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pantserschepen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘oorlogsschip met pantserplaten’ voor het eerst aangetroffen in 1866
Woordfamilie van pantserschip
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pantserschepen | meervoud | pantserschip |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pantserschip zijn vastgelegd.