Naar de inhoud

afschepen

onder voorwendselen iemand onverrichter zake wegsturen.

afschepen

werkwoord

Betekenis

  1. onder voorwendselen iemand onverrichter zake wegsturen.

werkwoord

  1. onder valse voorwendselen iemand onverrichter zake wegsturen. transitive

Vervoeging van afschepen

afschepenhele werkwoord — scheepte afverleden tijd enkelvoud — scheepten afverleden tijd meervoud — afgescheeptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik scheep af scheepte af
jij scheept af scheepte af
hij, zij, het scheept af scheepte af
wij schepen af scheepten af
jullie schepen af scheepten af
zij schepen af scheepten af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te schepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen schepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal schepen bijzin, toekomende tijd
af zou schepen bijzin, voorwaardelijk
af zouden schepen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt schepen bijzin, voorwaardelijk
af zullen schepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen schepen bijzin, toekomende tijd
af zult schepen bijzin, toekomende tijd
afgescheept verleden tijd, deelwoord
afgescheept te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgescheept te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgescheept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgescheept te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgescheept te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgescheept worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgescheept zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgescheept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgescheept zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgescheept zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afscheep bijzin, tegenwoordige tijd
afscheept bijzin, tegenwoordige tijd
afscheepte bijzin, verleden tijd
afscheepten bijzin, verleden tijd
afschepend onvoltooid, deelwoord
ben afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgescheept impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgescheept impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgescheept impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgescheept impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgescheept worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgescheept zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgescheept worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgescheept zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgescheept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgescheept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgescheept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgescheept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgescheept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgescheept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgescheept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgescheept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
scheep af gebiedende wijs
scheepte af verleden tijd
te hebben afgescheept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afschepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgescheept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgescheept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgescheept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgescheept voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgescheept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgescheept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgescheept voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgescheept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgescheept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgescheept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgescheept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgescheept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgescheept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgescheept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgescheept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgescheept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgescheept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgescheept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgescheept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgescheept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgescheept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgescheept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgescheept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgescheept zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgescheept zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afschepen bijzin, toekomende tijd
zijn afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgescheept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgescheept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgescheept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgescheept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgescheept zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgescheept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgescheept zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afschepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afschepen af zou(dt) schepen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgescheept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgescheept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgescheept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgescheept zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgescheept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgescheept zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afschepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgescheept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgescheept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afschepen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgescheept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgescheept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgescheept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgescheept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgescheept zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgescheept zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgescheept zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afschepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afschepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afschepen bijzin, toekomende tijd
zult afgescheept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en schepen ww (varen, inschepen)

Woordfamilie van afschepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgescheept voltooid deelwoord afschepen
afgescheepte woordvorm afschepen
afscheept subordinate-clause, tegenwoordige tijd afschepen
afscheepte subordinate-clause, verleden tijd afschepen
afscheepten subordinate-clause, verleden tijd afschepen
afschepe with-subordinate-clause afschepen
afschepend onvoltooid deelwoord afschepen
afschepende woordvorm afschepen
scheep af gebiedende wijs afschepen
scheept af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afschepen
scheepte af verleden tijd afschepen
scheepten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afschepen
schepe af woordvorm afschepen
schepen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afschepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschepen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afschepen

Wat betekent afschepen?
Afschepen is een werkwoord. Het woord betekent: onder voorwendselen iemand onverrichter zake wegsturen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afschepen?
Je vervoegt afschepen als volgt: het voltooid deelwoord is afgescheept. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afschepen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afschepen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 23 zonder bonus
  11. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afschepen in het kort

afschepen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afschepen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afschepen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afschepen: onder voorwendselen iemand onverrichter zake wegsturen.
Deel afschepen — standaardnederlands.nl