bekleding
zelfstandig naamwoord bəˈkledɪŋBetekenis
- een laag stof ter versiering en berscherming aangebracht op een hard oppervlak of een meubelstuk
Hoe spreek je bekleding uit?
/bəˈkledɪŋ/
Bekleding bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| d | dak |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- een laag stof ter versiering en bescherming aangebracht op een hard oppervlak of een meubelstuk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bekledingen | meervoud |
| bekledinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bekledinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van bekleden met het achtervoegsel -ing.
Woordfamilie van bekleding
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bekledingen | meervoud | bekleding |
| bekledinkje | verkleinwoord | bekleding |
| bekledinkjes | verkleinwoord meervoud | bekleding |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bekleding zijn vastgelegd.