luisteren
werkwoord /'lœstərə(n)/Betekenis
- een bevel opvolgen
- glans geven aan, tot luister brengen
Hoe spreek je luisteren uit?
/ˈlœstərən/
Luisteren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| œ | oeuvre |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ~ naar gericht waarnemen met het oor unergative
Vervoeging van luisteren
luisterenhele werkwoord — luisterdeverleden tijd enkelvoud — luisterdenverleden tijd meervoud — geluisterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | luister | luisterde |
| jij | luistert | luisterde |
| hij, zij, het | luistert | luisterde |
| wij | luisteren | luisterden |
| jullie | luisteren | luisterden |
| zij | luisteren | luisterden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geluisterd | verleden tijd, deelwoord |
| geluisterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geluisterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geluisterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geluisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geluisterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geluisterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geluisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geluisterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geluisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geluisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geluisterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geluisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geluisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geluisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geluisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geluisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geluisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| luister | gebiedende wijs |
| luisterde | verleden tijd |
| luistere | aanvoegende wijs |
| luisterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geluisterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te luisteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen luisteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geluisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geluisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geluisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geluisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geluisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geluisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geluisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geluisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geluisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geluisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geluisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geluisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geluisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen luisteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geluisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult luisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘horen’ voor het eerst aangetroffen in 1357
Woordfamilie van luisteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geluisterd | voltooid deelwoord | luisteren |
| luisterde | verleden tijd | luisteren |
| luisterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | luisteren |
| luistere | aanvoegende wijs | luisteren |
| luistert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | luisteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van luisteren zijn vastgelegd.