oog
zelfstandig naamwoord, werkwoord oxBetekenis
- een gezichtsorgaan van een mens of dier voor het waarnemen van lichtprikkels
- een blik die men op iets richt
- elk van de putjes op dobbel- en dominostenen die de waarde ervan aangeven
- een oogvormige opening van sommige voorwerpen
- een hoefijzervormig ringetje aan kledingstukken waarin een haakje wordt bevestigd
- een uitgevloeide druppel vet op soep
- de knop van een plant
- plek op een aardappel waar bij het uitlopen een worteltje kan ontstaan
- oogvormig versiersel op de staart van pauwen en op de vleugels van sommige vlinders
- het centrum van een cycloon waar windstilte heerst
- alleen in toponiemen: eiland
Hoe spreek je oog uit?
/ox/
Oog bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| x | acht |
zelfstandig naamwoord — neuter
- gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
- blik die men op iets richt
- oogvormige opening van sommige voorwerpen
- hoefijzervormig ringetje aan kledingstukken waarin een haakje wordt bevestigd
- uitgevloeide druppel vet op soep
- knop van een plant
- centrum van een cycloon waar windstilte heerst
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ogen | meervoud |
| oogje | verkleinwoord, enkelvoud |
| oogjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ogen
- gebiedende wijs van ogen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ogen
Vervoeging van oog
ooghele werkwoord
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘gezichtsorgaan’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van oog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oogje | verkleinwoord | oog |
| oogjes | verkleinwoord meervoud | oog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oog zijn vastgelegd.