oormerken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- van een oormerk voorzien
- (geld dat nog uitgegeven gaat worden) een bepaalde bestemming geven
werkwoord
- een bepaalde bestemming geven transitive
Vervoeging van oormerken
oormerkenhele werkwoord — oormerkteverleden tijd enkelvoud — oormerktenverleden tijd meervoud — geoormerktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | oormerk | oormerkte |
| jij | oormerkt | oormerkte |
| hij, zij, het | oormerkt | oormerkte |
| wij | oormerken | oormerkten |
| jullie | oormerken | oormerkten |
| zij | oormerken | oormerkten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geoormerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geoormerkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geoormerkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geoormerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geoormerkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geoormerkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geoormerkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geoormerkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geoormerkt | verleden tijd, deelwoord |
| geoormerkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geoormerkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geoormerkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geoormerkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geoormerkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geoormerkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geoormerkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geoormerkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geoormerkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geoormerkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geoormerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geoormerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geoormerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geoormerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geoormerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geoormerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geoormerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geoormerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| oormerk | gebiedende wijs |
| oormerke | aanvoegende wijs |
| oormerkend | onvoltooid, deelwoord |
| oormerkte | verleden tijd |
| te hebben geoormerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te oormerken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oormerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geoormerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geoormerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geoormerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geoormerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geoormerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geoormerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geoormerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geoormerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geoormerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geoormerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geoormerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geoormerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geoormerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geoormerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geoormerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geoormerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geoormerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geoormerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geoormerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geoormerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geoormerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geoormerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geoormerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geoormerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geoormerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geoormerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geoormerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geoormerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geoormerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geoormerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geoormerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geoormerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geoormerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geoormerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oormerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geoormerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geoormerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geoormerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult oormerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord oormerk
Herkomst
samenstelling van oor en merken
Woordfamilie van oormerken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geoormerkt | voltooid deelwoord | oormerken |
| geoormerkte | woordvorm | oormerken |
| oormerke | aanvoegende wijs | oormerken |
| oormerkend | onvoltooid deelwoord | oormerken |
| oormerkende | woordvorm | oormerken |
| oormerkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | oormerken |
| oormerkte | verleden tijd | oormerken |
| oormerkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oormerken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oormerken zijn vastgelegd.