oormerk
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een, meestal geel, genummerd label op de oren van rundvee – inclusief waterbuffel en Amerikaanse bizon – en sinds 2005 ook van schapen, geiten en varkens
- een herkenningsteken in het algemeen
- van iets dat het alleen maar gebruikt mag worden voor één, van te voren bepaald doel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oormerken
- gebiedende wijs van oormerken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oormerken
Vervoeging van oormerk
oormerkhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van oor zn en merk zn