oorgetuige
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die een getuigenis aflegt van iets wat hij/zij gehoord heeft (bijv. een gesprek)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oorgetuigen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘iemand die bij een gesprek aanwezig is’ voor het eerst aangetroffen in 1965
Woordfamilie van oorgetuige
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oorgetuigen | meervoud | oorgetuige |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oorgetuige zijn vastgelegd.