ontleden
werkwoordBetekenis
- iets in zijn bestanddelen uiteendoen
- een reactie ondergaan waarbij complexe moleculen of verbindingen in eenvoudigere eenheden uiteenvallen
Vervoeging van ontleden
ontledenhele werkwoord — ontleeddeverleden tijd enkelvoud — ontleeddenverleden tijd meervoud — ontleedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontleed | ontleedde |
| jij | ontleedt | ontleedde |
| hij, zij, het | ontleedt | ontleedde |
| wij | ontleden | ontleedden |
| jullie | ontleden | ontleedden |
| zij | ontleden | ontleedden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben ontleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontleed | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was ontleed | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd ontleed | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt ontleed | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal ontleed worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal ontleed zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou ontleed worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou ontleed zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben ontleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is ontleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontlede | aanvoegende wijs |
| ontledend | onvoltooid, deelwoord |
| ontleed | gebiedende wijs |
| ontleed | verleden tijd, deelwoord |
| ontleed te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontleed te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontleed te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontleed te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontleed te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontleed worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontleed zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontleed zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontleed zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontleed zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontleedde | verleden tijd |
| te hebben/zijn ontleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontleden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontleden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontleed zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontleed zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontleden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontleed zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontleed zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontleed zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontleed zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van lid met het voorvoegsel ont- met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontleden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontlede | aanvoegende wijs | ontleden |
| ontledend | onvoltooid deelwoord | ontleden |
| ontledende | woordvorm | ontleden |
| ontleed | voltooid deelwoord | ontleden |
| ontleedde | verleden tijd | ontleden |
| ontleedden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontleden |
| ontleedt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontleden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontleden zijn vastgelegd.