Naar de inhoud

ontleden

iets in zijn bestanddelen uiteendoen

ontleden

werkwoord

Betekenis

  1. iets in zijn bestanddelen uiteendoen
  2. een reactie ondergaan waarbij complexe moleculen of verbindingen in eenvoudigere eenheden uiteenvallen

Vervoeging van ontleden

ontledenhele werkwoord — ontleeddeverleden tijd enkelvoud — ontleeddenverleden tijd meervoud — ontleedvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontleed ontleedde
jij ontleedt ontleedde
hij, zij, het ontleedt ontleedde
wij ontleden ontleedden
jullie ontleden ontleedden
zij ontleden ontleedden
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben ontleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontleed impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was ontleed impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd ontleed impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt ontleed impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal ontleed worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal ontleed zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou ontleed worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou ontleed zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben ontleed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is ontleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontlede aanvoegende wijs
ontledend onvoltooid, deelwoord
ontleed gebiedende wijs
ontleed verleden tijd, deelwoord
ontleed te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontleed te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontleed te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontleed te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontleed te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontleed worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontleed zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontleed zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontleed zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontleed zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontleedde verleden tijd
te hebben/zijn ontleed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontleden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontleden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ontleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontleed zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontleed zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn ontleed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn ontleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontleed zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontleed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontleed zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontleed zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontleed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontleed zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ontleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontleed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen ontleden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontleed zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontleed zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontleed zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult ontleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult ontleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontleed zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van lid met het voorvoegsel ont- met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van ontleden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontlede aanvoegende wijs ontleden
ontledend onvoltooid deelwoord ontleden
ontledende woordvorm ontleden
ontleed voltooid deelwoord ontleden
ontleedde verleden tijd ontleden
ontleedden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontleden
ontleedt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontleden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontleden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over ontleden

Wat is de betekenis van ontleden?
Ontleden is een werkwoord. De betekenis is: iets in zijn bestanddelen uiteendoen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ontleden?
Zo vervoeg je ontleden zo: de tegenwoordige tijd is ontleed, de verleden tijd is ontleedde en het voltooid deelwoord is ontleed. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontleden is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontleden levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontleden in het kort

ontleden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ontleden staan er 62 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ontleden bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ontleden: iets in zijn bestanddelen uiteendoen
Deel ontleden — standaardnederlands.nl