hit
zelfstandig naamwoord hɪtBetekenis
- een succesvol lied
- een treffer bij een zoekactie
- paardje
- dienstmeisje
- slag
- treffer
- raken
- slaan
- onzacht in aanraking komen
- geluk hebben met iets, iets winnen
- een huurmoord uitvoeren
- (kaartspel, blackjack) iemand nog een kaart geven
- aantreden om te pitchen in honkbal
- ergens naartoe gaan, langsgaan
- openen, in première gaan
- gebruiken
- raken, treffen, nadeel berokkenen
- seks hebben met
- geloof
- hier
- hier, hierheen
Hoe spreek je hit uit?
/hɪt/
Hit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɪ | pit |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- lied dat in korte tijd zeer populair wordt
- treffer bij een zoekactie
- paard uit een ras dat klein blijft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hitjes | verkleinwoord, meervoud |
| hits | meervoud |
zelfstandig naamwoord
- meisje als hulp in de huishouding figuratively, historical
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hitjes | verkleinwoord, meervoud |
| hitten | meervoud |
Herkomst
m [1], [2]: van Engels hit
Woordfamilie van hit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hitje | verkleinwoord | hit |
| hitjes | verkleinwoord meervoud | hit |
| hitten | meervoud | hit |
| hittende | woordvorm | hitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hit zijn vastgelegd.