split
zelfstandig naamwoord, werkwoord splɪtBetekenis
- plaats waar iets gespleten is, plek waar iets in delen gescheiden raakt
- (estafette) tijd die een afzonderlijke deelnemer heeft gerealiseerd
- koolzuurhoudend water gemengd met whisky of andere sterke drank
- splijting, verdeling, splitsing
- splijten, verdelen
- splitsen
- ervandoor gaan
Hoe spreek je split uit?
/splɪt/
Split bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| l | land |
| ɪ | pit |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- materiaal dat door splijting in kleine stukjes verdeeld is
- tijd die een afzonderlijke deelnemer heeft gerealiseerd
- houding waarbij je je benen helemaal uit elkaar naar opzij spreidt
- klein flesje sodawater
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| splitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| splitjes | verkleinwoord, meervoud |
| splitten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van splitten
- gebiedende wijs van splitten
Vervoeging van split
splithele werkwoord
Herkomst
van splijten ww , in de betekenis van ‘insnijding in kleding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1903 **m, v/m: van Engels split, in de betekenis van ‘whisky met sodawater’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1897
Woordfamilie van split
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| splitje | verkleinwoord | split |
| splitjes | verkleinwoord meervoud | split |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van split zijn vastgelegd.