wit
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord /ʋɪt/Betekenis
- de lichtst mogelijke kleur, kleur die wordt waargenomen bij een gelijkmatige vermenging van alle zichtbare kleurtinten in het spectrum
- de kleur wit hebbend
- een lichte huidskleur hebbend
- verstand
- kennis
- mening
- karakter
- de lichtst mogelijke kleur, in wezen geen kleur op zich maar een combinatie van alle zichtbare kleuren in het spectrum
- wij twee.
- scherpzinnigheid, vernuft
- weten
- wij twee (nominatief van de eerste persoon tweevoud)
Hoe spreek je wit uit?
/wɪt/
Wit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- lichtst mogelijke kleur, kleur die wordt waargenomen bij een gelijkmatige vermenging van alle zichtbare kleurtinten in het spectrum
- voorwerp of substantie met een zeer heldere, lichte kleur
- waar je op gericht bent, wat je probeert te bereiken figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| witje | verkleinwoord, enkelvoud |
| witjes | verkleinwoord, meervoud |
| witten | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] wit | canonical |
bijwoord
- een lichte kleur hebbend / krijgend
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van witten
- gebiedende wijs van witten
Vervoeging van wit
withele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] wit | canonical |
Woordfamilie van wit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wits | woordvorm | wit |
| witst | woordvorm | wit |
| witste | woordvorm | wit |
| wittere | woordvorm | wit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wit zijn vastgelegd.