fit
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord / 'fɪt /Betekenis
- in goede lichamelijke conditie
- opwelling, vlaag
- aanval, stuip, toeval 2
- beroerte
- geschikt, passend
- gezond
- passen
- passend maken
- aanbrengen, monteren
- een goede gezondheid en fysieke conditie hebbend
Hoe spreek je fit uit?
/ˈfɪt/
Fit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
zelfstandig naamwoord — masculine
- meethaak met een vaste en een verschuifbare tong, fithaak
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van fitten
- gebiedende wijs van fitten
Vervoeging van fit
fithele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘gezond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1896
Woordfamilie van fit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fitst | uninflected, superlative | fit |
| fitste | inflected, superlative | fit |
| fittere | verbogen vergrotende trap | fit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fit zijn vastgelegd.