bit
zelfstandig naamwoord /bɪt/Betekenis
- een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
- een gebitsbeschermer
- in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
- tegenwoordige tijd van bite
Hoe spreek je bit uit?
/bɪt/
Bit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als bid.
zelfstandig naamwoord — neuter
- een gebitsbeschermer, ook gebruikt bij bijv. bepaalde sporten
- verwisselbare stift [1] die in bijv. een boormachine wordt geplaatst
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bitjes | verkleinwoord, meervoud |
| bitten | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bitje | verkleinwoord, meervoud |
| bitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bits | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘mondstuk’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van bit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bitje | verkleinwoord | bit |
| bitjes | verkleinwoord meervoud | bit |
| bitten | meervoud | bit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bit zijn vastgelegd.