zit
zelfstandig naamwoord, werkwoord zɪtBetekenis
- de daad van het (langdurig) zitten
- plaats waar je kunt zitten
- pukkel, acne
- tegengesteld, tegenovergesteld, tegenstrijdig.
Hoe spreek je zit uit?
/zɪt/
Zit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- daad die bestaat uit zitten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van zitten
- gebiedende wijs van zitten
Vervoeging van zit
zithele werkwoord
Herkomst
zn: naamwoord van handeling van zitten ww (zonder -en)