spit
zelfstandig naamwoord, werkwoord spɪtBetekenis
- draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
- hevige lage rugpijn, lendenpijn
- spugen
- spietsen, aan het 1 rijgen
- braadspit
- schoorwal
Hoe spreek je spit uit?
/spɪt/
Spit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| speetje | verkleinwoord, eerste persoon |
| speetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| speten | enkelvoud |
| spitje | verkleinwoord, eerste persoon |
| spitjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| spitten | enkelvoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van spitten
- gebiedende wijs van spitten
Vervoeging van spit
spithele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘braadspit’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van spit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spitje | verkleinwoord, 1e persoon | spit |
| spitjes | verkleinwoord | spit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spit zijn vastgelegd.