lidwoord
zelfstandig naamwoord ˈlɪtwortBetekenis
- woordsoort die standaard voor een naamwoord (meestal een zelfstandig naamwoord) staat, om onder meer bepaaldheid, getal en woordgeslacht hiervan aan te geven
Hoe spreek je lidwoord uit?
/ˈlɪtwort/
Lidwoord bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| w | quiz |
| o | boot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lidwoorden | meervoud |
| lidwoordje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lidwoordjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘de, het, een’ voor het eerst aangetroffen in 1723
Woordfamilie van lidwoord
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lidwoorden | meervoud | lidwoord |
| lidwoordje | verkleinwoord | lidwoord |
| lidwoordjes | verkleinwoord meervoud | lidwoord |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lidwoord zijn vastgelegd.