shit
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel ʃɪtBetekenis
- rommel, ellende, iets onaangenaams
- softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen
- een uitroep van ergernis
- een uitroep van ergernis en frustratie als iets helemaal misgaat
- ontlasting 2, poep
- onzin
- rotzooi, iets onaangenaams
- onaangenaam persoon
- (in combinatie met een ontkenning) iets (ofwel: niets)
- poepen 1, schijten
- verdomme
Hoe spreek je shit uit?
/ʃɪt/
Shit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ʃ | sjaal |
| ɪ | pit |
| t | tak |
tussenwerpsel
- een uitroep van hevige ergernis en/of frustratie als iets helemaal misgaat vulgar
Herkomst
van Engels shit, in de betekenis van ‘rotzooi, onzin, ook tussenwerpsel: uitroep van ergernis’ voor het eerst aangetroffen in 1964