pit
zelfstandig naamwoord, werkwoord pɪtBetekenis
- brandbare gevlochten draad in het binnenste van een kaars, olielamp of petroleumtoestel
- werkplaats langs een circuit voor auto- of motorsport
- energie
- zaadhoudende kern van verschillende vruchten
- plaatsen, leggen, zetten, stellen
- put
Hoe spreek je pit uit?
/pɪt/
Pit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1], [2], [4] pitten | meervoud |
| [3] pits | meervoud |
| pitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van pitten
- gebiedende wijs van pitten
Vervoeging van pit
pithele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘post bij autoraces’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961
Woordfamilie van pit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pitje | verkleinwoord | pit |
| pitjes | verkleinwoord meervoud | pit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pit zijn vastgelegd.