knoop
zelfstandig naamwoord, werkwoord knopBetekenis
- een vastgetrokken lus in garen, draad, koord of touw om daarin een verdikking te maken, om einden ervan aan elkaar te bevestigen of ter bevestiging aan een ander voorwerp of weefsel
- een snelheidsmaat die in de zeevaart gebruikt wordt
- een meestal schijfvormig voorwerp met draden vastgezet op een kledingstuk ter afsluiting daarvan
- vloek
Hoe spreek je knoop uit?
/knop/
Knoop bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| o | boot |
| p | pak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knoopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knoopjes | verkleinwoord, meervoud |
| knopen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knopen
- gebiedende wijs van knopen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knopen
Vervoeging van knoop
knoophele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘ronde sluiting aan kleding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van knoop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knoopje | verkleinwoord | knoop |
| knoopjes | verkleinwoord meervoud | knoop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knoop zijn vastgelegd.