strik
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- knoop met twee lussen
- val voor dieren
zelfstandig naamwoord — masculine
- een knoop met twee lussen
- lint of koord in een knoop met twee lussen dat men als versiering om de hals draagt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| strikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| strikjes | verkleinwoord, meervoud |
| strikken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strikken
- gebiedende wijs van strikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strikken
Vervoeging van strik
strikhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘lus’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van strik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| strikje | verkleinwoord | strik |
| strikjes | verkleinwoord meervoud | strik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strik zijn vastgelegd.