overloop
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈovərˌlopBetekenis
- gang op een bovenverdieping
- overlappend
- overgaan van een toestand naar een andere
- migratie van stad naar het platteland
- het verschil tussen het niveau van een variabele aan het eind van het jaar en het gemiddelde jaarniveau van die variabele
Hoe spreek je overloop uit?
/ˈovərˌlop/
Overloop bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overloopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| overloopjes | verkleinwoord, meervoud |
| overlopen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlopen
- gebiedende wijs van overlopen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlopen
Vervoeging van overloop
overloophele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlopen
Vervoeging van overloop
overloophele werkwoord
Herkomst
samenstelling van over bw en loop ww
Woordfamilie van overloop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overloopje | verkleinwoord | overloop |
| overloopjes | verkleinwoord meervoud | overloop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overloop zijn vastgelegd.