bioscoop
zelfstandig naamwoord bijɔsˈkopBetekenis
- gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
- apparaat waarmee filmvoorstellingen worden verzorgd
Hoe spreek je bioscoop uit?
/bijɔsˈkop/
Bioscoop bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| i | riet |
| j | ja |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| k | kat |
| o | boot |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bioscoopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bioscoopjes | verkleinwoord, meervoud |
| bioscopen | meervoud |
Herkomst
op te vatten als gevormd met het voorvoegsel bio- en met het achtervoegsel -scoop **[1] in de later gangbare, afgeleide betekenis van een ruimte waar filmvoorstellingen gegeven worden, vanaf circa 1910 . **[2] in de oorspronkelijke betekenis, vernoemd naar de Duitse Bioskop, een filmprojector ontwikkeld door de gebroeders Skladanowsky in 1895, waarmee ze in een theater een betalend publiek een filmprogramma in Berlijn vertoonden. Vanaf 1896 organiseerden ze dit ook in Nederland en Scandinavië (zie vindplaats hieronder).
Woordfamilie van bioscoop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bioscoopje | verkleinwoord | bioscoop |
| bioscoopjes | verkleinwoord meervoud | bioscoop |
| bioscopen | meervoud | bioscoop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bioscoop zijn vastgelegd.