steek
zelfstandig naamwoord, werkwoord /steːk/Betekenis
- penetratie met een scherp puntig voorwerp
- korte scherpe pijn
- eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
- bepaald soort hoofddeksel met opgeslagen randen
- in de ~ laten: iemand verlaten in plaats van hulp te verlenen
- een ~ laten vallen: een fout maken
- klein beetje
Hoe spreek je steek uit?
/stek/
Steek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- geen ~ niets informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| steekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| steekjes | verkleinwoord, meervoud |
| steken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steken
- gebiedende wijs van steken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steken
Vervoeging van steek
steekhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘driekantige hoed’ voor het eerst aangetroffen in 1807
Woordfamilie van steek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| steekje | verkleinwoord | steek |
| steekjes | verkleinwoord meervoud | steek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van steek zijn vastgelegd.