doop
zelfstandig naamwoord, werkwoord dopBetekenis
- (christendom) plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren en zonden afgewassen worden
- eerste keer dat iemand een taak uitvoert of eerste gebruik van een object
- doopsel
Hoe spreek je doop uit?
/dop/
Doop bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| p | pak |
Klinkt hetzelfde als dope.
zelfstandig naamwoord — masculine
- plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren en zonden afgewassen worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| doopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| doopjes | verkleinwoord, meervoud |
| dopen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dopen
- gebiedende wijs van dopen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dopen
Vervoeging van doop
doophele werkwoord
Herkomst
erfwoord van Middelnederlands dope en Oudnederlands douphe
Woordfamilie van doop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doopje | verkleinwoord | doop |
| doopjes | verkleinwoord meervoud | doop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doop zijn vastgelegd.