stroop
zelfstandig naamwoord, werkwoord stropBetekenis
- dikke, viskeus|viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
- het stropen van wild
Hoe spreek je stroop uit?
/strop/
Stroop bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| o | boot |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stroopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stroopjes | verkleinwoord, meervoud |
| stropen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stropen
- gebiedende wijs van stropen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stropen
Vervoeging van stroop
stroophele werkwoord
Herkomst
in de uitspraak ontstaan uit siroop, mogelijk via tussenvormen als "seroop" en "sroop", in de betekenis van ‘dikke vloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1514
Woordfamilie van stroop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stroopje | verkleinwoord | stroop |
| stroopjes | verkleinwoord meervoud | stroop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stroop zijn vastgelegd.