Naar de inhoud

splitsen

zich ~: in twee of meer delen uiteen gaan

splitsen

werkwoord ˈsplɪtsə(n)

Betekenis

  1. zich ~: in twee of meer delen uiteen gaan
  2. iets ~: in twee of meer delen opdelen

Hoe spreek je splitsen uit?

/ˈsplɪtsən/

Splitsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsplɪtsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
p pak
l land
ɪ pit
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van splitsen

splitsenhele werkwoord — splitsteverleden tijd enkelvoud — splitstenverleden tijd meervoud — gesplitstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik splits splitste
jij splitst splitste
hij, zij, het splitst splitste
wij splitsen splitsten
jullie splitsen splitsten
zij splitsen splitsten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesplitst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesplitst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesplitst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesplitst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesplitst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesplitst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesplitst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesplitst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesplitst verleden tijd, deelwoord
gesplitst te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesplitst te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesplitst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesplitst te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesplitst te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesplitst worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesplitst zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesplitst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesplitst zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesplitst zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesplitst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesplitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesplitst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesplitst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesplitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesplitst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesplitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesplitst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
splits gebiedende wijs
splits me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
splits u/je , splitst je gebiedende wijs
splitse aanvoegende wijs
splitse zich aanvoegende wijs
splitsen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
splitsen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
splitsen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
splitsend onvoltooid, deelwoord
splitst je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
splitst u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
splitst u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
splitst zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
splitst zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
splitst zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
splitste verleden tijd
splitste je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
splitste me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
splitste u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
splitste u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
splitste zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
splitste zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
splitste zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
splitsten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
splitsten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
splitsten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
te hebben gesplitst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te splitsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen splitsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gesplitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesplitst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gesplitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesplitst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesplitst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gesplitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gesplitst voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesplitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gesplitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gesplitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gesplitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gesplitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gesplitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gesplitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gesplitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gesplitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gesplitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gesplitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesplitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gesplitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesplitst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesplitst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesplitst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesplitst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesplitst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesplitst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesplitst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me splitsen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal splitsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal splitsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal splitsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich splitsen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je splitsen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gesplitst hebben verleden tijd
zich splitsend onvoltooid, deelwoord
zijn gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesplitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesplitst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesplitst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesplitst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesplitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesplitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesplitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesplitst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesplitst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesplitst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou splitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou splitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou splitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesplitst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesplitst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesplitst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesplitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gesplitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gesplitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesplitst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesplitst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesplitst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden splitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden splitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden splitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesplitst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesplitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesplitst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt splitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesplitst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesplitst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesplitst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesplitst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘verdelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1570

Woordfamilie van splitsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
splits gebiedende wijs splitsen
splitse aanvoegende wijs splitsen
splitsend onvoltooid deelwoord splitsen
splitsende woordvorm splitsen
splitst aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon splitsen
splitste verleden tijd splitsen
splitsten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon splitsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van splitsen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over splitsen

Hoe spreek ik splitsen uit?
Zo spreek je splitsen uit: /ˈsplɪtsə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van splitsen?
Splitsen is een werkwoord. De betekenis is: zich ~: in twee of meer delen uiteen gaan. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik splitsen?
Zo vervoeg je splitsen zo: de tegenwoordige tijd is splits, de verleden tijd is splitste en het voltooid deelwoord is gesplitst. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op splitsen?

Er staan 2 woorden in dit woordenboek die op splitsen rijmen, waaronder flitsen en ritsen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op splitsen, uitspraak ˈsplɪtsən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
flitsen 2
ritsen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord splitsen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. P 3
  3. L 3
  4. I 1
  5. T 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

splitsen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. P 4
  3. L 3
  4. I 2
  5. T 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

splitsen in het kort

splitsen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van splitsen staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort splitsen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

splitsen: zich ~: in twee of meer delen uiteen gaan
Deel splitsen — standaardnederlands.nl