hoop
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɦoːp/Betekenis
- stapel
- een grote hoeveelheid
- een verwachting van iets wenselijks
Hoe spreek je hoop uit?
/hop/
Hoop bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| p | pak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoopje | verkleinwoord |
| hoopjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| hopen | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hopen
- gebiedende wijs van hopen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hopen
Vervoeging van hoop
hoophele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘verwachting’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van hoop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoopje | verkleinwoord | hoop |
| hoopjes | verkleinwoord | hoop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoop zijn vastgelegd.